In de Leidse agglomeratie beschikt ruim 40% van de beroepsbevolking over een diploma van hbo, wo of hoger, en geldt daarmee als hoogopgeleid. Het nationale streven is dat op termijn 50% hoogopgeleid is, iets wat de stad Leiden al bereikt heeft. Die doelstelling roept vaak vragen op. Is het niet te veel? Er zijn toch ook ‘handjes’ nodig? En niet iedereen kan dat scholingsniveau toch bereiken? Laten we een korte blik op die drie vragen werpen.

Menselijk talent

Ten eerste: ‘is het niet te veel?’ Om te beginnen: 50% is een nationale doelstelling. Het is zelfs een Europese doelstelling. Europa is een grondstoffenarm continent. Wil het in de internationale concurrentie overleven, dan moet het woekeren met het enige talent wat het op lange termijn heeft: het menselijk talent.
Daar komt nog iets bij: statistisch is er een samenhang tussen een hoog opleidingsniveau en een hoger inkomen, een langere levensverwachting, een langere economische zelfstandigheid, een verminderde afhankelijkheid van zorg, een kleinere kans op criminaliteit. Althans in ons deel van de wereld, de Rijnlandse democratieën. Dat zegt natuurlijk niets over de kansen van een individu: ook een laaggeschoolde kan oud worden, zelfstandig zijn, enzovoort. Maar de statistische samenhang is zo overweldigend, dat een overheid moreel gezien bijna de plicht heeft om een hoog opleidingsniveau na te jagen. De criminaliteit blijft maar afnemen (wat pessimisten ook maar beweren) en de levensverwachting blijft maar stijgen. Dat zijn geen kwaliteiten om je burgers te ontzeggen.

Startniveau steeds hoger

Ten tweede: ‘er zijn toch ook handjes nodig?’ Punt is: ook werken met de handen vergt tegenwoordig vaak niveau mbo 4, een volledige beroepsopleiding. In een hoogcompetitieve regio als de Leidse agglomeratie zijn amper meer banen op niveau 2 of 3, zeker wanneer we het hebben over banen waar een duurzaam inkomen in de markt mee te verdienen valt.

Is er een grens?

Ten derde: ‘niet iedereen kan dat scholingsniveau bereiken’. Dat is zeker waar. De vraag is of er een harde grens is. Sommige landen zijn Nederland al voorbij. Hieronder staat het aantal hoogopgeleiden in enkele vergelijkingslanden.

Canada53%
Japan47%
Israël46%
Nederland36%

De snelste groeiers zitten in Azië: Korea (70% van de uitstroom uit het onderwijs is hoogopgeleid), Sjanghai en Singapore.

Interventie strategieën

Natuurlijk zijn landen niet goed vergelijkbaar. Zo is de prestatiedruk in Korea niet iets wat past bij het Noordwest-Europese begrip van kwaliteit van leven. Maar er zijn wel drie effecten die de ’turn-out’ van het onderwijs verhogen zonder haaks te staan op onze levensstijl:

  1. Een brede toegankelijkheid door een vroege start met een ‘daycare’ of een ‘preschool’. Er is sterk bewijs voor de stelling dat een kind tussen het 2.5de jaar – wanneer het taalverwervingsvermogen echt op gang komt – en het 4de jaar – de entree tot het onderwijs – tot 30 miljoen woorden moet hebben gehoord in een persoonlijke context. Dus geen tv, maar echt in gesprek, inclusief voorlezen. Er zijn kinderen uit spel- en taalarme milieus die op hun 4de beginnen met 11 miljoen woorden. Er zijn andere kinderen die beginnen met 56 miljoen woorden. Die verschillen zijn niet meer in te halen. In ons land heeft Amsterdam een baanbrekend ‘preschoolbeleid’ gevoerd met grote toegankelijkheid voor alle peuters. Een inspirerend voorbeeld voor de 071-regio.
  2. Nederland kent het fenomeen van ‘de pedagogische provincie’. Het onderwijs is vooral van zichzelf: het heeft eigen wetten en regels en staat betrekkelijk los van de omgeving. In veel andere landen is het onderwijs een ‘communityschool’. De school wordt gedragen door de omgeving, ‘business life, politie, politici en vervolgopleidingen komen de school binnen en manifesteren zich met gastlessen. Er zijn ‘giving back’ programma’s om leerlingen zich maatschappelijk betrokken te laten voelen. Het leidt tot een effectieve strategie tegen de onderwijsuitval: je studeert niet zomaar, je levert een maatschappelijke prestatie.
  3. Nederland komt honderdduizenden beroepsbeoefenaren in bèta en techniek (van niveau mbo 4 en hoger) te kort. Een land als Canada heeft vrij consequent gekozen om daar iets tegen te doen. Bijvoorbeeld door de studiebeurzen voor bètastudenten te verhogen, zodat studenten geen bijbanen hoeven te nemen. Nederland is wat minder het land van de consequente oplossingen. Maar op regionaal niveau is veel mogelijk. Amsterdam doet het al in de onderwijssector: studiebeurzen aanbieden in combinatie met de toegang tot een betaalbaar huurappartement.

Welke van deze strategieën vind je het beste passen bij de Leidse regio? En welke strategieën zijn er nog meer?

Rob Manders
Bureau Blaauwberg